De herkomst van het Turkse volk

Geglazuurde tegel met een dubbele adelaar uit het Kubad Abad Paleiscomplex aan de oever van het Beyşehirmeer; 13e eeuw; Karatay Medrese Museum Konya

Om ons te verdiepen in de historische, geografische en religieuze achtergronden van het Turkse volk -vóórdat het zich in het huidige Turkije vestigde en vóór de overgang tot de islam-, zullen wij ons in gedachten verplaatsen naar de uitgestrekte steppen van Centraal-Azië. Het huidige Mongolië, in het bijzonder het stroomgebied van de Orhon en de Selenga, is de bakermat van meerdere Centraal-Aziatische ruitervolkeren.
De Turken trokken van hieruit naar Anatolië tussen 735 en 1071.
De steppebewoners met een gemeenschappelijke levensstijl, taal en tradities waren altijd onderweg met hun kudden. Zij sloegen hun tenten op bij geschikte weidegronden, bij een bron of rivier voor zolang als er voor het vee (schapen, kamelen en paarden) te eten was. De dagelijkse bezigheden bestonden uit het verzorgen van de dieren (melken, scheren, fokken, temmen, dresseren) en het verwerken van de melk en de wol. Door stedelingen werden de nomaden altijd gewantrouwd als ongeordende vrijbuiters of barbaren: zij werden gezien als een gevaar voor de gevestigde orde. Anderzijds kwamen de nomaden goed van pas als huurtroepen in tijden van oorlog, als leveranciers van zuivelproducten, slachtvlees, vilt, textiel en tapijten, en als africhters van last- en rijdieren voor de handelskaravanen. Langs de handelsroutes door de Aziatische steppecorridors -sinds mensenheugenis de belangrijkste levensaders van de meest uiteenlopende culturen-, kwamen ontmoeting, vermenging en wederzijdse beïnvloeding tot stand. Tijdens de uitwisselingen van kostbare handelswaar deden ook berichten omtrent oorlog en vrede in vele talen de ronde. Wetenswaardigheden gingen van mond tot mond onder de onafzienbare stroom van monniken, missionarissen, vluchtelingen, bannelingen, ketters, derwisjen, ambachtslieden, kunstenaars en verhalenvertellers, die de wegen bevolkten en die aanzaten bij de kampvuren of in de grote karavaanpleisterplaatsen, waar het zeker niet alleen zinderde van economische interesses.

De meest in het oog springende en de meest voortvarende groepering binnen alle westwaarts migrerende Turkse stammen waren de Seltsjoeken. Zij staken vanaf 1034 de Syr Darya over, trokken door Transoxiana, lieten ook de Amu Darya achter zich en wonnen in 1040 de beslissende slag bij Dandanakan. Op hun weg naar het westen had inmiddels de islam hun pad gekruist en het overgaan tot deze godsdienst bleef niet uit. In 1055 verklaarde hun leider Tuğrul Bey (1037-1063) zich solidair met de Abbasiden-kalief in Bagdad. Met zijn legers trad hij in dienst van deze heerser, van wie hij in 1058 de titel ‘Sultan van Oost en West’ ontving. Zo werden de Seltsjoeken van loyale aanhangers tot zelfstandige heersers en verspreiders van het nieuwe geloof. Zijn opvolger Alp Arslan (1063–1072) trok in 1071 Anatolië binnen en versloeg de Byzantijnse legers onder leiding van keizer Romanos IV Diogenes (1068–1071) bij Malazgirt. Konya werd nu de hoofdstad van de Seltsjoeken van Rum (1071–1299). Vanaf dit moment begon de vaderlandse geschiedenis van het huidige Turkije.

In Centraal-Azië, waar hun voorouders rondtrokken met hun tenten en kudden, ontstonden de verhalen, waarvan hier enkele fragmenten besproken worden. Om deze mythen enigszins te kunnen begrijpen, is het goed te beseffen, dat de Centraal-Aziatische nomade niet gehinderd werd door onze moderne materialistische wereldbeschouwing en ons historisch bewustzijn, die onze blik begrensd hebben en waardoor onze herinneringen niet verder reiken dan de oudste schedel of vroegst dateerbare potscherf. De Centraal-Aziatische nomade kende geen grenzen, onbelemmerd blikte hij terug en hij kon vrijuit spreken over een Gouden Tijdperk, toen de mensen nog toefden in een lichtrijk samen met de scheppende goden.

Detail van het zgn. Phoenix-Drakentapijt afkomstig uit West-Anatolië; 15e eeuw; Staatliche Museum Berlijn
De Turkse mythologie geeft een veelheid van beelden, die ons laten zien dat de mens eens zelf een stralend lichtwezen was, hoe dat licht doofde en hoe tijdens dit proces ook de omgeving veranderde:

- Oorspronkelijk waren de mensen lichtende wezens…… In die tijd was er geen zon en geen maan; deze waren ook niet nodig, want de mensen straalden zelf; hun lichtgestalte was wijds uitgespreid en zij waren onsterfelijk. Toen is er iets gebeurd en het gevolg daarvan was, dat het licht, dat de mensen uitstraalden, langzaamaan doofde, waarna tevens de wereld om hen heen donker werd. De menselijke gestalte schrompelde in en haar levensduur werd tijdelijk. Omdat God medelijden had met de mensen, plaatste Hij zon, maan en sterren aan de hemelkoepel, opdat zij op aarde hun weg konden vinden. Sommigen zeggen, dat de mens nog steeds krimpt en dat hij uiteindelijk zo klein zal zijn als een duim. Dan zal Maitere komen en zal er een omwenteling zijn.

- De wereld is niet altijd geweest zoals deze er nu uitziet. Vroeger was het hemeldak veel kleiner, maar het gat in het dak was veel groter en iedereen kon rechtstreeks met de goden spreken; de goden waren heel dichtbij, want de hemelkoepel was veel minder hoog. Op een dag was er een vrouw die klaagde over rook en tocht in de wereldtent. Zij vond, dat het toch wel wat erg benauwd was. Toen kwam de reus Yelbegen, die de hemeltent heeft uitgerekt, maar het gat waardoor men met de goden kon spreken, werd daardoor verkleind en nu is het zo klein en ver weg als de Poolster; de mensen kunnen niet meer met de goden spreken. Die reus bleek ook wel wat ruw te werk gegaan te zijn, er zitten heel wat gaten in het hemeldak, maar daar doorheen schijnt tenminste het licht van de goden. Er zit zelfs een dunne plek in het uitspansel, die men de Melkweg noemt. In de buurt van het Zevengesternte - Ülker - moet wel een erg groot gat zitten, want de herfststormen blijven er vanaf november de hele winter maar doorheen blazen.

- De goden, die boven de nachtelijke hemelkoepel wonen, zijn nieuwsgierig naar de mensen. Zij werpen af en toe een vluchtige blik op de aarde door een scheurtje in de hemeltent. De mens die het geluk heeft dit te zien, staat op dat moment oog in oog met de goden. Hij vangt een glimp op van het lichtrijk, waaruit hijzelf eens werd geboren. Dit is het moment van een vallende ster. Alle wensen gaan op dat ogenblik in vervulling, want de hemeldeur staatop een kier en de mens kan zich met zijn wens rechtstreeks tot de goden wenden. Er ontvonkt een sprankje hoop, een lichtpunt op de donkere aarde, waarop de mens zich als sterveling, ondanks alle duisternis, richten kan.

Als de nomaden op de Centraal-Aziatische steppen opzien naar de machtige besneeuwde toppen van de bergen in de verte, waar de levensschenkende rivieren ontspringen, beleven zij, dat de zegen van een hogere orde op hen rust. De eeuwigheid openbaart zich in de regelmaat en in het ritme van zon en maan, in de kringloop van de zes lichte en de zes donkere maanden, de onverstoorbare afwisseling van dag en nacht, de twaalf lichte en de twaalf donkere uren, de altijd weerkerende omslag van winterse koude en voedselschaarste naar lente- en zomerwarmte en nieuw opbloeiend leven. ’s Nachts opziende naar de Poolster aan de noordelijke hemel, beseffen zij, dat er één vast punt is, waar het hele universum om draait: de onwrikbare IJzeren Wereldzuil. Dit is geen denkbeeldige lijn, die een ster met de aardas verbindt, zeker niet, deze Wereldzuil is het middelpunt van het bestaan en boezemt vertrouwen in.

- Toen God de aarde schiep, gaf Hij negen bekwame smeden de opdracht een enorme ijzeren paal te vervaardigen, die moest dienen ter ondersteuning van de hemelkoepel. Zij maakten de paal zo hoog, dat de goden in de hogere hemelsferen hun paarden eraan vast kunnen binden. Men zegt, dat als die paal het ooit begeeft, dat het einde is van de wereld. God moge het verhoeden!

Reliëf van een dubbele adelaar op de stadsmuur van de hoofdstad van het Seltsjoekenrijk (12e eeuw); Ince Minare Museum in Konya
- Er zetelt een dubbelkoppige adelaar op de top van de Wereldzuil. Als deze koning met zijn rechtervleugel de zon bedekt, is het nacht. Als hij zijn linkervleugel spreidt over de maan, is het dag.

- Oorspronkelijk was er één Oerbron des Levens, die als een spuitende fontein van louter licht de omgeving en alle levende wezens voedde en laafde. Toen Erlik met duisternis en verharding deze bruisende lichtwereld verstoorde, stolde de fontein tot één machtige boom, die met zijn kruin tot in de hemel reikte en met zijn wortels diep doordrong in de aarde. De levensschenkende sappen bleven binnen de verharde schors opstijgen en druppelden van de bladeren omlaag als een glanzend vocht, dat nog lange tijd spijs en drank voor de mensen was. Maar naarmate de mensen zich openstelden voor de leugens van Erlik en zich te goed deden aan het grofstoffelijk voedsel, dat hij hen bood, des te meer sloten zij zich af voor de zegen van de boom en zo werd de ware levensbron onzichtbaar. Maar de boom des levens staat er nog steeds. ’s Nachts kan men de duizenden fonkelende lichtdruppels zien, die aan de bladeren hangen en ook de milde regen, die de dorre steppen tot nieuw leven wekt, stroomt ons toe vanuit die oerbron. Bovendien houden de wortels van deze heilige boom nog steeds de aarde bijeen.

Ingrid Klerk

Uit: "Turkse Mythologie"