De Phrygische gevelmonumenten ter ere van Kybele
Midasstad, de grote gevel

Deze “openlucht” cultusplaatsen - raadselachtig, stil, verlaten en ver van de bewoonde wereld - getuigen van een mensheidsfase, waarin de herinnering aan de kosmische oerbeelden - het kosmisch geheugen - de mens nog omzweefde; het analytisch verstand en de kritische blik, die alleen een wezenloze leefomgeving waarneemt, was de mens toen nog vreemd. Pas als de vanzelfsprekende directe waarneming van de levendig stromende lichtwereld vervaagt, moet een decor van grootse met geometri¬sche motieven versierde façades de beleving van de scheppende godenwereld tijdens de cultus ondersteunen.
De vaak meerdere meters hoge reliëfs, met haarscherpe rechthoekige vlakverdeling (geen vlechtbanden) dienden als achter¬grond voor de cultische handelingen, waarbij de Grote Godin in de nis “verscheen”; of misschien lichtte zij even op van achter de scheidingswand, die de grens vormde tussen de zintuiglijke en het bovenzinnelijke wereld.
De Phrygische mens stond op de grens van het nog kunnen waarnemen van een reëel oermoederlijk wezen in de natuur en de totale verduistering van dit vermogen. In deze context vertelt de mythe over koning Midas, dat hij tussen twee “soorten klanken” moest kiezen (leren onderscheiden) en hoe het slecht met hem afliep, hij kreeg ezelsoren . . . . .
Het grootste gevelmonument in Midas-stad is gericht naar het oosten; de afmetingen zijn 16 x 16.40 m. Het geheel wordt gedateerd in het midden van de 8ste eeuw. De nis is 1.02 m diep 2.31 m hoog 2.44 m breed; de nis inclusief de dubbele omlijsting is ca 5.50 m breed. De bovenste inscriptieband, die als een wimpel boven de gevel wappert, is 11 m lang, de letters zijn 4 tot 5.3 cm diep. De verticale “BABA tekst”, die in de rechterkant van de grote gevelomlijsting is ingeschreven, is veel kleiner en begint 8 m boven de grond (niet leesbaar). De Phrygische taal behoort tot de Indogermaanse taalgroep, hun alfabet is het prototype van het Griekse; dit schrift was ook bekend in Gordion.
Het akroterion, helaas zwaar beschadigd, waarschijnlijk door het oefenende bataljon, bestaat uit twee tegenover elkaar geplaatste concentrisch inwikkelende spiralen, ontstaan uit de doorgetrokken schuine zijden van het timpaan.
Een reconstructietekening toont aangebouwde portico’s; een getekende doorsnede en bovenaanzicht van de nis laten zien, dat de bodem en de achterwand beschadigd zijn; er was waarschijnlijk een verdiepte holte voor een houten cultusbeeld; links en rechts boven wordt de kopse kant van de balk gesuggereerd, alsof het een houtbouw betreft. Het systeem in de ornamentiek wordt niet bij de eerste oogopslag duidelijk, de grondvorm is rechts (en links) van de nis te zien; het is een gecompliceerde compositie samengesteld uit vierkanten en rechthoeken; deze compositie wordt aaneengesloten herhaald, daartussen ontstaan kruismotieven als “bijproduct”.
De omlijsting van de gevel: De zijkanten zijn bezet met 2 rijen van 5 verzonken ruitmotieven. Boven de nis, onder het timpaan, een enkele rij van 5 verzonken ruitmotieven door verticale balkjes van elkaar gescheiden. Het timpaan bestaat uit een baan kleinere ruiten en een baan grotere ruiten op de schuine zijden. Er zijn weliswaar geen verfsporen gevonden, het geheel kan desalniettemin toch geverfd geweest zijn.

De gevelmonumenten, de archeologische getuigen van de Phrygische cultuur, zijn de uiteindelijke neerslag van een mensheidsfase, die voorafging aan de ontwikkeling van het bewuste heldere denken, dat in Griekenland nog ontwikkeld zou worden. De Phrygiërs leerden kijken naar een vormentaal, een vormenwereld, die NIET aan de natuur ontleend was, maar die een hogere werkelijkheid zichtbaar maakte. Het denkend leren benaderen van de zintuiglijke werkelijkheid - de mogelijkheid van ons abstracte denken - werd hier geoefend en door b.v. Pythagoras (en vele anderen) verder ontwikkeld.
Het bestaan van de Phrygische toonladder en de Phrygische dubbelfluit doet vermoeden, dat ook de ontdekking van de strenge, objectieve wetmatigheden in de muziek, hier werd voorbereid.
De letters op de gevelwanden, hetzij op de onbewerkte rots, hetzij binnen de gevelcompositie, werden tegelijk met de gevel uitgehakt; men zette geen aparte steigers achteraf. Schrifttekens zijn vormen, die aan de klanken van het gesproken woord refereren. In de tijd van Homeros leefde nog de mondelinge overlevering, men kende de gezongen (door de muziek gedragen) epen uit het hoofd. Maar ook dit vermogen zou de mens in de toekomst “ontvallen”. Het kijken naar lettertekens, als toekomstige geheugensteun, heeft ongetwijfeld ook het overgangsproces naar het denken in abstracties begeleid.
Men zou kunnen zeggen, dat de omvorming door scholing van de zintuigen oog en oor mede als de voorbereiding voor de “Nieuwe Tijd” noodzakelijk waren. Uiteindelijk heeft Alexander de Grote hier in 333 de beroemde Gordiaanse knoop doorgehakt en de weg gebaand, de poort geopend, de doorbraak naar deze Nieuwe Tijd gerealiseerd.
De ontdekking van Midasstad >>