De Oermoeder Kybele

De Oermoeder Kybele bij Akpınar - Manisa

Potnia Theron

In het wezen van Kybele weerspiegelt zich een vóóraards, vóórhistorisch en vóórgeboortelijk - ontwikkelingsstadium bestaande uit kosmische oerwijsheid.
Deze zuivere, onbedorven (maagdelijke) wijsheid - doorweeft scheppend het Al, is één grootse heelheid, die zowel zon- èn maankwaliteiten, mannelijk èn vrouwelijk, omvat.
Onze moderne termen als voedselketen, milieu, ecologie enz. zijn povere abstracties (aftreksels) in vergelijking bij haar alomvattendheid, die de schepping voortdurend voedt. Zij draagt in onze ziel het verleden van de mensheid - de onderbewuste lagen, waarop ons huidige bewustzijn rust - van waaruit wij tegenwoordig de hoogmoed hebben te denken, dat wij alles weten en dat alles “vanzelf” gaat . . . . .

Bijzondere verschijningen van haar zijn Artemis Ephesia en de Potnia Theron. De gevleugelde Regentes van het Dierenrijk houdt leeuwen, leeuwinnen of panters losjes bij de staart, of bij hun nekvel. Zij zit op een troon geflankeerd door wilde dieren, panters, luipaarden of leeuwen; soms heeft zij deze dieren op schoot. Zij is het (voor)beeld van de mens, die de dierlijkheid in zichzelf - het driftleven, de begeertekrachten, die op het fysieke plan voor de voortplanting noodzakelijk zijn - beheerst. De wezenlijke verhouding tussen mens en dier (het dierlijke in de mens) wordt ons al eeuwenlang voorgehouden in de fabels, een verhaalvorm, die oorspronkelijk uit India stamt. Weinigen realiseren zich, dat de beroemde fabelverzamelaar en dichter Aesopos (6de eeuw v.Chr.) een Phrygiër was.
In de vroegste tijden werd de Oermoeder beleefd als “alom tegenwoordig”, zij behoefde geen zintuiglijke aanduiding van haar aanwezigheid; de gehele natuur in al haar cyclische schakeringen was haar levende kleed, een grot haar woning, een berg haar troon. In de stilte van de serene ruimtelijkheid en de puurheid van licht en lucht, op de rotsen, hoogverheven boven het dagelijks bestaan, werd de verbonden¬heid met de Oermoeder ervaren. Dit gevoel van geborgenheid in het grote geheel ging verloren, het vervaagde, er kwam mettertijd een meer op de uiterlijke wereld gericht waarnemingsvermogen voor in de plaats.

De grote Phrygische Kybele in het museum van Anatolische Beschavingen in Ankara: Deze kalkstenen sculptuur uit de 7de eeuw v.Chr. werd gevonden in de Hethitische hoofdstad Hattusa. De dracht van deze, ca. 1.26 m hoge, gestalte is typerend voor de reliëfs in het Phrygische hoogland. Haar lange rok is links en rechts verschillend geplooid en laat de voeten onbedekt. Voor de toeschouwer valt de linkerkant van haar kleed in rechte verticale plooien omlaag, de rechterkant is horizontaal golvend geplooid. Op het hoofd draagt zij de hoge kalathos (meestal met een sluier); de geheimzinnige archaïsche glimlach siert haar gelaat; het gerestaureerde bovenlichaam toont haar handen met daarin cultusobjecten (granaatappel?).
Het lijkt alsof deze unieke verschijning van de Oermoeder twee “kinderen” aan haar zijden hoedt. Rechts van haar staat een figuurtje met de Phrygishe dubbelfluit; het linker figuurtje bespeelt een snaarinstrument (lyra, kithara).
Om dit unieke beeld en de Phrygische cultuur beter te begrijpen, kunnen de mythen over koning Midas licht werpen op de onbekendheid van dit stuk geschiedenis, dat Midas plaatst in de 8ste eeuw v.Chr. in de Phrygische hoofdstad Gordion:
Midas is de zoon van een eenvoudige boer Gordias, die onvoorbereid tot eiderschap geroepen werd; hij werd bijgestaan en begeleid door een zieneres, die in hem de koning van de toekomst had herkend aan een vlucht vogels, toen Gordias met zijn boerenkar naar de stad reed. Aan Midas werden bij zijn geboorte grote rijkdommen voorspeld . . . . .



Kybele uit Ankara
- Op een dag trof de paleiswacht van koning Midas de leermeester van Dionysos - Seilenos - zijn roes uitslapend op het land aan; zij brachten hem thuis en uit dankbaarheid stond Dionysos koning Midas een wens toe. Hij wenste, dat alles wat hij zou aanraken in goud zou veranderen. Dionysos probeerde hem deze onzalige wens uit zijn hoofd te praten, maar Midas, begerig naar goud, zag er niet van af. Het gevolg was, dat inderdaad àlles wat hij aanraakte in goud veranderde, dus ook zijn eten en drinken . . . . .
Koning Midas leed honger en dorst temidden van zijn schatten en hij moest ervaren hoe betrekkelijk het geluk was, dat deze rijkdommen hem brachten.
Dionysos, de zoon van Zeus, zag met mildheid neer op de berouwvolle dwaas en raadde hem aan naar het land Lydia te reizen en zich daar te baden in de bronnen van de Paktolos-beek, die langs de stad Sardes stroomt.
Zo kon Midas nog bevrijd worden van zijn kwaal en zijn domme, maar zeer menselijke, keus herstellen: Het goud stroomde als goudstof in de rivier en vormde de basis voor de enorme rijkdommen, die de latere Lydische koning Kroisos van Sardes (560 – 546) bezat en die hem tot de rijkste man ter wereld maakten. Of hij er gelukkig mee was, wordt door Herodotos (485 – 420), “de Vader der Geschiedenis” uitgebreid verteld.

Kybele uit Gordion
Na dit hachelijke avontuur distantieert Midas zich van het luxueuze hofleven, hij prefereert het gezelschap van eenvoudige herders en landlieden; hij leeft blij en gelukkig in de vrije natuur en heeft plezier in de eenvoudige deuntjes, die de bosgoden Pan en Marsyas op hun fluiten spelen; dat beurt hem op in tijden van zwaarmoedigheid.
Het saterachtige wezen Marsyas was zo ingenomen met zijn muzikale kwaliteiten, dat hij wel wilde wedijveren met de lier-spelende Apollo. Volgens de overlevering zou de berggod Tmlos (bij Sardes) scheidsrechter zijn en besluiten, wie van beiden de mooiste muziek maakte . . . . Koning Midas bestrijdt het besluit van de berggod, hij vindt dat zijn vriend Marsyas mooier speelt. Apollo straft hem met een paar lange, grijze, behaarde ezelsoren . . . . .
Om deze schande te verbergen draagt Midas voortaan een hoge slappe puntmuts en hij beveelt zijn onderdanen dezelfde z.g. Phrygische muts dragen. Alleen de koninklijke barbier is op de hoogte van de misvormde oren van zijn vorst.
Op een dag kan de barbier het geheim niet meer voor zich houden en hij fluistert het in een diepe waterput . . . . . er groeit riet aan de rand van het water en het riet ruist in de wind: "Koning Midas heeft ezelsoren" zo wordt het beschamende geheim alsnog alom bekend.


Het over het algemeen niet zo bekende Phrygische rijk lag in het dicht beboste Anatolische hoogland ten noorden van Afyon. Hun cultuur wordt historisch geplaatst tussen 1200 en 650 v.Chr. De hoofdstad Gordion, genoemd naar de stichter Gordias, is het huidige Yassıhöyük bij Polatlı, 70 - 80 km ten zuidwesten van Ankara.
De archeologisch uitgegraven stadsmuur stamt uit ca. 750 v.Chr. en was ongeveer 7 m hoog. De grote tumulus, de z.g. "Grafheuvel van koning Midas" stamt volgens dendrochronologische gegevens uit 718 v.Chr. en wordt tegenwoordig geïdentificeerd als zijnde van Gordias. Rond 695/670 v.Chr. werd de stad door de Kimmeriërs plat gebrand, maar later weer opgebouwd. De Phrygiërs zonden wijgeschenken naar Delphi.
Zo kunnen mythen en historische gegevens tezamen dit cultusbeeld van de Phrygische Grote Moeder belichten. De kinderen aan haar zijde zijn Dionysos en Apollo, de zonen van Zeus, de twee hoeders van het orakel van Delphi. Apollo en Dionysos vertegenwoordigen twee mysteriewegen, die de mens tijdens de Griekse cultuurperiode (747 v.Chr. – 1413 n.Chr.) gewezen werden. De mythische koning Midas is de vertegenwoordiger van een nieuwe tijd; zijn hoofd wordt niet getooid met een gouden kroon, maar met een slappe naar de aarde omgebogen muts, waaronder hij zijn aards geworden zintuigen tracht te verbergen. De tijd van de “weledelgeboren” koningen is voorbij, Midas is geen aristocraat, zijn egoïstische begeerte naar goud verblindt hem en zijn oren kunnen de kosmische harmonieën van Apollo niet meer verstaan. Zijn menselijke tekortkomingen wil hij verdoezelen om niet ook nog zijn autoriteit te verliezen. Midas mist de stralenkrans, oorspronkelijk het teken van verbondenheid met de leidende godenwereld door middel van de inwijding. Deze koningskroon is mettertijd verhardt tot kostbaar juweel, het materiele teken van het koningschap, dat nu in musea staat te pronken.
De tumulus van Midas in Gordion
De Phrygische gevelmonumenten ter ere van Kybele >>