Edessa - Şanlıurfa

Panorama van Şanlıurfa, het oude Edessa

Deze stad die eens het “Oog van Mesopatamië” genoemd werd, ligt op 518 m boven zeeniveau in de zuidelijke uitlopers van het Taurus-gebergte. Haar unieke en strategisch gunstige ligging maakte haar tot een ideale locatie voor een vesting op de handelsroute tussen India en Alexandrië, Antiochië en Constantinopel. Maar dit heeft dan ook haar lot getekend: In talloze oorlogen is deze “Twistappel tussen Oost en West” vele malen belegerd, geplunderd, platgebrand, verwoest en weer opgebouwd.
De landstreek, waarin Urfa ligt, is al sinds het vroegste Neolithicum bewoond geweest, hetgeen de recente vondsten bij Göbekli Tepe, die stammen uit het 9e millennium v.Chr. overduidelijk aantonen. Bij het graven van een parkeergarage in de huidige moderne stad stuitte men op een klakstenen stele, de alleroudste levensgrote afbeelding van een mensengestalte (genoemd naar de vindplaats, de wijk Balıklı Göl). Nog vele andere prehistorische vondsten zijn in het Archeologische Museum van Urfa te bewonderen.

Geschiedenis in vogelvlucht:
Na de val van het Hethitische Grootrijk (1200 v.Chr.) kwam dit gebied onder het bewind van het Neo-Hethitische vorstendom Kargamisj, dat in de achtste eeuw v.Chr. zijn culturele hoogtepunt beleefde. De Assyriërs vestigden hier handelskoloniën en meerdere Assyrische veldheren trokken met hun legers voorbij. De Babyloniërs volgden en koning Nabonides was in dit gebied de laatste Babylonische heerser. Een grensstèle van hem werd in Haran gevonden en staat nu in het Archeologisch Museum van Urfa.

Nabonides
Nabonides (556 - 539) was de vijfde en laatste koning van het Neo-Babylonische rijk (622 – 539); hij was een zoon van de vorst van Haran, zijn moeder was de opperpriesteres van de Sin-tempel aldaar. Na een samenzwering tegen zijn voorganger kwam hij op de troon, maar in zijn hart was hij eigenlijk meer een priester/bouwmeester dan een koning. Tijdens zijn regering hield hij zich dan ook vooral bezig met de bouw, uitbreiding en restauratie van de tempels van de maangod Sin in Haran en van de zonnegod Sjamasj in Sippar en Larsa. Zoals we kunnen zien aan zijn afbeelding op de stele in het museum van Urfa gaf koning Nabonides de voorkeur aan de astrale goden boven de Babylonische god Marduk.

Stèle van Nabonides Bovendeel van stèle Ster, Zon en Maan

De maangod Sin werd vereerd in de beroemde tempels van Ur en Haran. Het was de god van de koele nachten, die het pad van de door de steppen trekkende nomadenstammen verlicht. Mede door de bouwactiviteiten van deze koning kwam de maancultus tot een verrassende nieuwe opbloei.
De zonnegod Sjamasj werd opgevat als de zoon van Sin. Sjamasj volbrengt zijn dagelijkse Gouden Gang langs de hemel en als beschermer van de verdrukten en wetgever in het universum speurt hij in alle uithoeken naar onrechtvaardigheid; zo behoedt hij het maatschappelijk evenwicht onder de mensen.
De zevenpuntige ster op de stele van Nabonides kan opgevat worden als de zevenheid van de planeten of als de stralende Isjtar, de Phoenicische Astarte, de Sumerische Innana, de godin van de Morgen- en de Avondster, die in het Grieks Aphrodite werd genoemd. Isjtar is de Koningin des Hemels en de moedergodin van de vruchtbaarheid op aarde. Als patrones van de seksuele liefde werd haar cultus voornamelijk door de berichtgeving van Herodotos (485 – 420) niet meer begrepen en aangezien voor ontaarde tempelprostitutie, die als aanstootgevend beschouwd werd en Babylon haar slechte naam bezorgde.

Edessa
De komst van Alexander de Grote (356-323 v.Chr.) bracht grote veranderingen teweeg: Hij legde het Oosten open voor het Griekse filosofische denken en maakte het Westen ontvankelijk voor de oosterse cultuur. De stad werd Edessa genoemd naar de Macedonische koningsstad van waaruit zich velen hier vestigden. Tijdens de regering van de Seleuciden koning Antiochos IV Epiphanes (175 – 163), heette zij kortstondig Antiochia aan de Kallirrhoë-bron.
In Edessa leefde een gemengde autochtone bevolking van Semitisch-Aramese herkomst en Macedonische nieuwkomers. Hoewel het Grieks na de komst van Alexander de culturele voertaal en de handelstaal geworden was, bleef het Syrisch altijd de moedertaal en later de taal van de kerk in dit gebied. Zoals het Alexander voor ogen had gestaan, leerden de Grieken hier samenleven met de “Barbaren” – hier klonken vele talen en er was plaats voor vele goden.

Het koninkrijk Osrhroëne:
Tot ongeveer 132 v.Chr. leeft Edessa een min of meer vergeten bestaan binnen het rijk van de Seleuciden, totdat er aanspraak gemaakt wordt op onafhankelijkheid bij monde van een Aramees stamleider Arjou, die zich na de Parthische oorlogen (145 – 129) verzelfstandigen wil. Hij is de stichter van het koninkrijk Osrhroëne.

De twee Korinthische zuilen, die heden nog op de burchtheuvel staan en vanuit de gehele stad te zien zijn (één draagt een Syrische inscriptie), stammen mogelijkerwijs uit het winterpaleis van koning Abgar IX de Grote (179-214), de laatste koning van Osrhroëne. Vermoedelijk hebben er beelden op gestaan van hemzelf en zijn echtgenote Shalmath.
De oudste overblijfselen van de stadsmuur dateren uit 812; de kruisvaarders hebben dit bolwerk uitgebouwd; het werd door de Ajjubiden gesloopt in 1235 en weer opgebouwd door de Mamelukken na 1325.

In 242 n.Chr. wordt Edessa een “Kolonia” onder het rechtstreekse bestuur van de Romeinse keizer Gordianus III (238 – 244), die meerdere veldslagen tegen de Parthische Sassaniden leidt.

De komst van het Christendom
Na 395 gaat Edessa op in het Byzantijnse rijk, maar de stad ligt nog altijd in een kwetsbaar grensgebied;
zij leeft in de schaduw van het bloeiende Byzantium en Antiochia aan de Orontes. Als keizer Theodosius I (379 – 395) het christendom tot officiële rijksgodsdienst uitroept, blijkt de vorm van het christendom in Edessa sterk af te wijken van de opvattingen in Rome en Byzantium. De Syrisch-Aramese gemeenschap beschouwde het bericht van Eusebios over de mondelinge boodschap of de brief van Jezus aan koning Abgar V als authentiek, maar in het decreet van paus Gelasius I (492-496), die de geaccepteerde canon van apocriefe geschriften scheidde, werd de bron van dit geschrift - De Leer van Addai de Apostel - apocrief verklaard. Daarmee ontnam Rome de christenen in Edessa de basis, waarop zij zich beriepen als het ging om het apostolische fundament van hun oorspronkelijke eigen kerk.

Edessa wordt door haar ligging aan de oostelijke grens van de christelijke wereld, die steeds meer vanuit Rome gedicteerd wordt, tot een toevluchtsoord voor de meest uiteenlopende groeperingen van verketterde christenen, die een heenkomen zochten in het oosten. Na het concilie in Efeze (431) wijken ook de volgelingen van bisschop Nestorius naar Edessa uit; zo is Edessa een tijdlang de stad van de Nestorianen tot de Byzantijnse keizer Zeno (474 – 491) hun school verbiedt (489). Als keizer Justianus (527 – 565) - de bouwer van de Haghia Sophia - de door Plato gestichte academie in Athene laat sluiten (529), vluchten ook vele Griekse denkers en aanhangers van allerlei (ook christelijke) esoterische scholen via Edessa naar het Perzische Sassanidenrijk aan gene zijde van de Euphraat en de Tigris. Vele Nestorianen trekken zelfs door naar China, waar zij overal christelijke kerken stichten.
De Academie van Gondisjapur, waar later de werken van Aristoteles in het Arabisch vertaald zullen worden, ontstaat uit deze stroom van verbannen denkers, theologen en filosofen.

De Skyrtos Byzantijnse brug Uitgegraven gracht Ulu Cami

Boudewijn I van Boulogne, de broer van Godfried van Boullion, die na zijn broer koning van Jeruzalem wordt, is de eerste graaf van Edessa. Tot het grondgebied van deze eerste kruisridderstaat (1098 – 1144) behoort ook het land rond, Zeugma, Samosata, de hoofdstad van het vroegere Kommagene en Hromgla.
- In 1144 valt de stad voor de Arabische legers van Imadeddin Zengi.
- In de 16e eeuw (1516) wordt de naam Edessa veranderd in Urfa door de Ottomanen.

Urfa, Abraham (İbrahim) en Nimrod

Halil-ur Rahman-vijver Aynzeliha-vijver De heilige vissen

Abraham
Volgens lokale legendes is Urfa gesticht door de machtige koning Nimrod (Nemrut), de geweldige jager voor het aangezicht des Heren; hij is de zoon van Kusj, een achterkleinzoon van Noach (Genesis 10:8). De citadel aan de zuidkant van de stad wordt naar deze hoogmoedige koning de Troon van Nimrod genoemd. Koning Nimrod - de Jager, de Torenbouwer, de Reus - is in de Koran de directe tegenspeler van Abraham. Volgens de islamitische traditie bekleedt Abraham’s vader een hoog ambt aan het hof. Nimrod laat – net als koning Herodes –
Nimrod
alle kleine jongetjes doden als hem voorspeld wordt, dat er iemand geboren is, die hem zal overtreffen. Abraham's moeder brengt haar zoon in veiligheid in een grot, waar hij 10 jaar in verborgenheid opgroeit.
Als jongeling verzet Abraham zich tegen de afgodendienst in de stad en met het kapotslaan van de beelden van de zonne- en de maangod in de tempel, roept hij de woede van de koning over zich af. Abraham moet terechtgestaan in Nimrods paleis en wordt veroordeeld tot de brandstapel. Vanaf de citadel zal hij met een
De "Geboortegrot"
reusachtige katapult in het vuur geworpen worden. Echter de god van Abraham verandert het vuur in een bron en de vonkende houtspaanders in vissen.
Hoewel dit feit niet in de Koran wordt vermeld, geldt volgens de lokale Turkse traditie Urfa als de geboorteplaats van de profeet Abraham (İbrahim); men wijst hier op zijn geboortegrot ten oosten van de vijver met de heilige karpers. Het moderne Urfa geniet dan ook vooral bekendheid door Abraham en is een islamitische bedevaartsplaats.

Stadsgezichten van het moderne Şanlıurfa